Undercover: Dagboek van een dakloze [HP/de Tijd wk 39-40 2010]

Posted on 08/10/2010

0



In 2013 wil de overheid alle daklozen van de straat hebben. Tegelijkertijd luiden opvangcentra de noodklok omdat ze de toeloop niet aankunnen. Om wat voor mensen gaat het eigenlijk? En hoe leven ze? HP/De Tijd duikt onder in het zwerversbestaan. Deel 1 van een tweeluik: Dakloos in Utrecht. ‘De meesten hebben gewoon een afslag gemist.’  |  door Coco Gubbels

Hier volgen enkele fragmenten. Het volledige artikel is in PDF te downloaden: HPdeTijd 2010 wk 39 Dagboek van een dakloze

“Heb je nog een plaatsje voor vannacht?” vraag ik aan de portier. Zij brengt me naar de balie, waar ik mijn naam moet opgeven en vier euro moet betalen. Dan mag ik naar binnen. Een medewerker noteert op een formulier mijn (verzonnen) gegevens: de plaats waar ik vandaan kom, mijn naam en geboortedatum. Hij vraagt of ik hulp nodig heb. Nee, antwoord ik, ik wil alleen slapen. Dan informeert hij zo terloops mogelijk of ik nog iets wil vertellen. Ik trek een droevig gezicht en sla zijn aanbod af. Gelukkig vraagt hij niet verder. In het informatieboekje van de Sleep-Inn dat hij me meegeeft, lees ik later dat mijn gegevens worden doorgegeven aan de GG&GD om te controleren of ik wel recht heb op een slaapplek. Kennelijk is dat niet gebeurd, want ik kan hier zonder problemen blijven.
De ‘woonkamer’ staat vol tafels en stoelen, in een hoek hangt een televisie aan de muur, en door de aangrenzende serre oogt de ruimte licht en open. De openslaande deuren komen uit op een kleine, knusse tuin. Binnen is een grote bar, bediend door medewerkers en vrijwilligers die voor koffie, thee, ontbijt en beddengoed zorgen.
Als ik handdoeken, lakens en een deken heb gekregen, neemt een jonge vrouw me mee naar boven, waar ik op de vrouwenkamer een bed mag uitkiezen. Er staan vier stapelbedden met elk een eigen nummer. Ik neem een onderbed met nummer 8, dat het dichtst bij de ramen staat. Het wordt warm de komende weken.
Even later zoek ik een rustig plekje in de tuin. Maar al snel komen de eerste lotgenoten naar me toe om zich voor te stellen en een praatje te maken. Al de eerste avond komen de verhalen vanzelf naar me toe. Ik voel me er nog wat ongemakkelijk bij, maar tegelijkertijd is het een opluchting om te merken het ‘infiltreren’ makkelijker gaat dan ik had verwacht.

In de Catharijnesteeg ontmoet ik Sander, een net geklede man van eind dertig. Omdat het binnen zo warm is en ik niet net als gisteren de hele dag in een stoel wil hangen, stel ik hem voor een eindje te gaan wandelen. Terwijl we door de stad lopen, doet Sander zijn verhaal. Nog niet zo lang geleden had een goede baan, een leuk gezin, een mooi huis én een gokverslaving. Nadat hij zich had laten behandelen, liep zijn huwelijk op de klippen. Hij bleef achter met schulden en zonder huis. Sindsdien zwerft hij langs de verschillende opvangcentra van Utrecht. Hij wil niets liever dan weer een dak boven zijn hoofd hebben, maar vindt het moeilijk om zijn leven op orde te krijgen. Dat komt door die enorme schulden, zegt hij: alles wat hij verdient, verdwijnt meteen naar zijn schuldeisers. “Als je al aan de voorwaarden voldoet om in die schuldhulpverlening te komen, wordt je leven overgenomen door instanties en verdwijnt elk gevoel van zelfbeschikking en zelfrespect. Dat is het laatste wat je nog hebt, en ook dat nemen ze van je af.”

Hoe meer ik met mensen praat, hoe vaker ik hoor dat ik andermans verhalen met een korreltje zout moet nemen. Sander vertelt me dat veel daklozen wel terug willen naar een geregeld bestaan met werk en een huis, en zich daar ook bij laten helpen. Maar anderen in de nachtopvang zijn volgens hem helemaal niet bezig zijn met het vinden van een woning. “Sommige daklozen raken verslaafd aan dit bestaan. In het begin is het een soort vakantie, dan wordt het een sleur en daarna kun je eigenlijk niet meer terug. Sommige mensen zitten al twintig jaar in deze situatie.” Sander loopt nu anderhalf jaar mee in het circuit van trajecten, schuldhulpverlening en nachtopvang.

In 2013 wil de overheid alle daklozen van de straat hebben. Tegelijkertijd luiden opvangcentra de noodklok omdat ze de toeloop niet aankunnen. Om wat voor mensen gaat het eigenlijk? En hoe leven ze? HP/De Tijd duikt onder in het zwerversbestaan. Deel 2 van een tweeluik: Dakloos in Den haag.  |  door Coco Gubbels

Hier volgen enkele fragmenten. Het volledige artikel is in PDF te downloaden: HPdeTijd 2010 wk 40 Dagboek van een dakloze

De nachtopvang ligt helemaal aan de andere kant van het centrum op een afgelegen en uitgestorven bedrijventerrein. Niet echt een plek om ’s avonds alleen rond te lopen. Ik meld me aan de deur, wordt binnen gelaten en krijg een leeg vel papier in mijn handen gedrukt met de vraag of ik er mijn gegevens wil noteren. Dat mag ik doen in de ‘woonkamer’ waar ik oog in oog kom te staan met veertig mannen die me aanstaren. Ik ben vers vlees, merk ik.
Even later komt de medewerker naast mijn tafel staan: “Naam, geboortedatum, geboorteplaats… euhm heb je hier in Den Haag gewoond? Dat is een voorwaarde, anders kunnen we je hier niet laten blijven.” Ga je me op straat gooien als ik nee zeg, denk ik geschokt. “Schrijf dan maar op dat je vier jaar in Den Haag hebt gewoond, dat is voldoende.” antwoord hij nadat ik bevestig.
Uit een kast worden schone lakens getrokken en een vrouwelijke collega loopt naar een deur in het midden van de woonkamer. Er hangt een grote flatscreen vlak naast de deur. De mannen kijken afwisselend naar de televisie en naar mij. Er staan drie stapelbedden in de kamer en ik maak het enige lege onderbed op.
Zonder enige verdere introductie trekken de medewerkers zich terug in hun kantoor. De mannen staren me nog steeds aan en ik voel me overgeleverd aan een roedel wolven. Als ik uiteindelijk zie waar de toiletten zijn, blijken deze niet berekend op vrouwen in hun menstruatieperiode. De medewerkers halen hun schouders op als ik vraag hoe ik dat oplos. Het maakt me boos en opstandig, al kan ik die emoties niet openlijk uiten. Ik moet namelijk proberen zo lang mogelijk in de opvang zien te blijven.

Wanneer ik ’s avonds bij de nachtopvang binnen loop, wordt ik meteen het kantoortje van de medewerkers in gedirigeerd: “we willen even met je praten.” Ik heb geen idee wat ze van me willen en ik ben als de dood dat ze me weer ontmaskerd hebben. De struise blonde dame zet een stoel voor me neer en kijkt me bezorgd aan. “Wees maar niet bang, het is niet erg. We willen graag een intakegesprek met je houden, want ik denk dat je hier niet echt op je gemak bent en je eigenlijk ergens anders thuis hoort.” Ze stelt voor dat ik naar een blijf-van-mijn-lijf-huis ga en waarschuwt me alvast voor de pittige vragen die ze me daar gaan stellen. Ik schud mijn hoofd en geef aan daar geen gebruik van te willen maken. Ze laat het onderwerp verder met rust en attendeert me op het ontbreken van mijn identiteitspapieren: “Zonder die papieren mag ik je hier niet eens laten slapen. Met de subsidie van de gemeente hebben we ook regels binnengehaald, waaronder de verplichting van identificatie.” Ze zwijgt even. “Maar wij zijn een charitatieve organisatie en ik kan me niet voorstellen dat het Leger een vrouw op straat zet onder deze omstandigheden. Ik maak een notitie voor mijn collega’s met de vraag of ze je een weekje respijt willen geven.” Ze kan me geen garanties geven en die collega’s kunnen me er alsnog elk moment uit gooien.

In eerste instantie dacht ik dat buitenslapers in de stad onder een brug of in een portiek slapen. Maar Frank corrigeert dat vooroordeel: ”Je moet creatief zijn om een goede slaapplek te vinden, niet te vaak op één plaats blijven hangen en vooral niet in de stad gaan slapen.” En dus nemen we de tram naar Kijkduin. “Je kunt het beste aan de randen van de stad verblijven. Nu vooral, omdat er veel toeristen in de stad zijn en de politie nog alerter is op buitenslapers. Sommigen worden wel gedoogd, omdat ze daar al jaren slapen en verder geen overlast veroorzaken.” Bij de laatste halte stappen we uit en lopen naar het strand. “Je kunt er de sterren zien, het is er rustig en prachtig om te slapen. Ik heb jaren op het strand geslapen zolang het maar droog was en het niet te hard waaide. Regen is het ergste dat je kunt hebben. Hier zou je bijvoorbeeld kunnen liggen bij regen, “ Hij wijst naar een portiek met ruimte onder de trap “of je klimt op een balkon op de eerste verdieping of als een truck openstaat, zoals die daar, dan klim je daar in.” We lopen op het strand langs een paviljoen, waar een feestje aan de gang is met dronken tieners. “Daar lopen we maar even een stuk voorbij, anders heb je straks zo’n kotsende koter over je heen hangen!” Frank loopt nog twee honderd meter door en gooit dan zijn slaapzak en tas op het zand: “Hier gaan we slapen vannacht. Dan zien we morgen wel weer verder.”

Ondertussen sta ik buiten met man te praten die al enkele jaren buiten slaapt. In 2006 kwam hij uit de bajes. Hij wilde graag weer snel op gang komen en stapte na het aanvragen van een (daklozen)uitkering het verplichte traject in. “Ik had een dagtaak aan het bezoeken van consulenten die van alles opschreven en dan verder niets te melden hadden. Ik heb wel eens gevraagd wat het doel was van het gesprek en ik werd echt met onbegrip aangekeken. Het werd niet echt geapprecieerd dat ik een doel wilde hebben. Er werd heel even gesuggereerd dat ik niet wilde meewerken aan het traject en of ik me wel realiseerde dat dat zou kunnen betekenen dat ik gekort zou worden op mijn uitkering. Te belachelijk voor woorden! Dus heb ik weer netjes meegedaan. Eigenlijk wilde ik niets meer dan werk en woning, maar ik moest het hele traject doorlopen. Dat is zoiets als het verplicht opeten van de hele taart terwijl je maar twee puntjes wil. Omdat er alsmaar geen werk kwam en ook geen woning, ben ik zelf aan de slag gegaan en dat werd niet geaccepteerd. Ik werd uit het traject gezet, kreeg geen uitkering meer en mocht niet meer bij de nachtopvang naar binnen. Sindsdien slaap ik buiten en red me eigenlijk best aardig met wat klusjes her en der en de soepbus.”

Advertenties